De open ruwbouw van A tot Z

01/03/08 om 23:42 - Bijgewerkt om 23:42

Bron: Ik Ga Bouwen

Om beter te begrijpen wat op de werf gebeurt, geven we een overzicht van de belangrijkste bouwfasen.

De bouw van een huis is een complex proces dat een degelijke omkadering verdient. Om beter te begrijpen wat op de werf gebeurt, geven we hier een overzicht van de belangrijkste fasen in de realisatie (zonder afwerking) van een eengezinswoning. Volgende maand gaan we dieper in op het vervolg : de afwerking. Volg de gids !

De realisatie van wat we de 'ruwbouw' noemen, is ongetwijfeld de belangrijkste fase in de bouw van een huis. De term verwijst naar het geheel van werken in verband met de structuur van het gebouw, de stevigheid en de afdichting. Bij uitbreiding kunnen we stellen dat de open ruwbouw klaar is wanneer het huis onder dak wordt geplaatst. Daarnaast spreken we van gesloten ruwbouw wanneer het buitenschrijnwerk werd geplaatst en het huis aan de binnenkant volledig beschermd is tegen alle weersomstandigheden. Op dat moment kan de aannemer naar de volgende fase overgaan : de afwerking (daarover meer in nr. 308 van Ik ga bouwen). De ruwbouw is dus de belangrijkste etappe en bepaalt hoe lang de bouw van een huis in beslag neemt. Het is dan ook uitermate belangrijk dat u zich goed laat bijstaan door een architect, door een ingenieur en bekwame vakmensen opdat de werken zo goed mogelijk zouden kunnen worden uitgevoerd. Hou er ook rekening mee dat de ruwbouw gemiddeld 50 % van de totale kostprijs van een bouwproject (60 % voor de gesloten ruwbouw) uitmaakt. Bovendien blijven architect en aannemer tien jaar verantwoordelijk voor de stabiliteit en de afdichting van de ruwbouw. Wat niet wil zeggen dat u de afwerking en de uitrusting van uw huis uit het oog mag verliezen, zelfs al komen die pas in een latere fase aan bod. Sommige keuzes die u tijdens de realisatie van de ruwbouw maakt, zijn immers bepalend voor de latere mogelijkheden wat betreft afwerking.

1. De voorbereidingen De landmeter

Na de keuze voor een perceel en een architect is de eerste stap in het bouwproces het contacteren van een landmeter. Hij legt de reële grenzen van het terrein vast en stelt een afbakeningsplan op. De landmeter staat ook in voor het topografisch plan, dat de hoogtelijnen van het terrein in kaart brengt. Deze fase is onontbeerlijk en geeft de architect de kans zijn plannen aan het terrein aan te passen. De gegevens over de niveauverschillen moeten trouwens ook worden vermeld in de stedenbouwkundige vergunning. In het geval van een rijhuis, moet de landmeter ook beschrijven in welke staat de aanpalende woningen verkeren. Door bouwwerken kunnen immers ongewild scheuren, verzakkingen of andere schadegevallen aan belendende constructies ontstaan. Wanneer er geschillen ontstaan, dient die beschrijving als referentie. Indien nodig kan de landmeter tevens de overname van het mede-eigendom evalueren (waarbij de helft van de waarde van bestaande gemeenschappelijke delen wordt overgekocht).

Bodemstalen

Vóór de eigenlijke werken starten, moet u ook bodemstalen laten nemen. Aan de hand daarvan wordt nagegaan welk type funderingen uw huis nodig heeft. Meestal neemt men met behulp van een penetrometer drie stalen op verschillende plaatsen. Daarbij wordt een conus (kegelvormig voorwerp) onder externe druk in de bodem geduwd tot op 20 cm diepte. Stoot men daarbij op een veenlaag, op water (een ondiepe waterader bijvoorbeeld), op ophogingen en dergelijke, dan worden de funderingen een stuk complexer en kan de prijs stijgen. Wees alert bij de aankoop van een bouwterrein. Zo kunnen de straatnaam (Bronstraat, bijvoorbeeld), de aanwezigheid van een beek, de funderingen van de aanpalende woningen en dergelijke meer al een indicatie geven.

2. De funderingen Strookfunderingen

Meestal is het de ingenieur die op basis van de bodemstalen bepaalt welke funderingen nodig zijn. In het meest gunstige en vaakst voorkomende geval worden strookfunderingen gelegd. Die zijn gemiddeld 40 tot 80 cm breed en 20 tot 40 cm dik. Ze worden enkel onder draagmuren gelegd. Is de draagkracht van de bodem homogeen, dan bestaan de strookfunderingen uit niet-gewapend of licht gewapend beton (met eenvoudig roosterwerk in de onderlaag) . De wapening zal steviger zijn wanneer bijvoorbeeld een grondverzakking overbrugd moet worden. Hier en daar kunnen ook funderingsblokken worden voorzien onder een structureel bouwelement, zoals een zuil.

De funderingsplaat

Is de bodem van mindere kwaliteit en moeten er bredere funderingsstroken worden aangelegd om het gewicht van de constructie beter te verdelen, dan moet u misschien de voorkeur geven aan een volle funderingsplaat waarbij niet enkel onder de muren betonnen elementen worden gestort. Het gaat dan om een volwaardige funderingsplaat over de hele oppervlakte van het huis met een buitenrand van 10-15 cm. Een dergelijke vloerplaat is 18 tot 35 cm dik, wordt eveneens uit beton gegoten en voorzien van een wapening. In vergelijking met een constructie op een strookfundering moet u rekening houden met een meerkost van 12.000 tot 15.000 euro voor een woning met een vloeroppervlakte van 100 m2.

Funderingsputten en palen

Is de bodem écht rot, dan moeten meer geavanceerde technieken gehanteerd worden. De meest ingrijpende oplossing is het gebruik van heipalen : prefab-elementen die in de grond worden geheid. Voor dit werk is echter een enorme machine op de werf nodig, wat soms problemen kan veroorzaken als de locatie niet vlot toegankelijk is. Een fundering op heipalen vertegenwoordigt trouwens een meerkost van 25 tot 30 % in vergelijking met een funderingsplaat. Deze oplossing dringt zich dan ook enkel op als alle andere funderingstechnieken ontoereikend blijken. Een iets goedkoper en handiger alternatief is het gebruik van micropalen met een diameter van 10 tot 15 cm. Die worden met een kleinere machine in de grond geboord. Verschillende kleinere palen kunnen één grote vervangen.

Een tussenoplossing, tussen de funderingsplaat en de heipalen in, is de funderingsput. In dat geval worden in de bodem putten gegraven die daarna met zand of beton worden gevuld en zo een 'sokkel' vormen. Een rij gewapende draagbalken maakt de fundering compleet en vormt een soort 'plaat' waarop de constructie later kan steunen.

Ondermetselen

Als het om een rijhuis gaat, speelt niet alleen de aard van de bodem een rol. Indien de aanpalende woning geen kelder heeft en u toch een kelder heeft, dan moet u een diepere fundering voorzien onder de scheidingsmuur. Uw buur kan geen bezwaar aantekenen, al moet u vóór de start van de werken wel een plaatsbeschrijving laten opmaken voor het geval er structurele problemen in zijn huis zouden opduiken. Bij het ondermetselen worden er onder de muur van uw buren partiële greppels gegraven die beurtelings met beton worden gevuld. Kies voor krimpvrij beton om verzakkingen te voorkomen.

3. Nutsvoorzieningen

In dit stadium van de werken moet al een aantal nutsvoorzieningen worden geïnstalleerd, of toch minstens worden voorzien in de plannen.

De aardingslus

Om de elektrische verdeelkast later te kunnen aarden moet u van bij het begin van de werken een aardingslus voorzien : een koperdraad die onder de perimeter van de funderingen van het gebouw wordt ingegraven. Let op : de draad mag niet met de funderingen in verbinding staan, aangezien die metaal bevatten !

Met of zonder openbare riolering

Wat de afvoer van afvalwater betreft, moet u in de eerste plaats nagaan of er in de straat openbare riolen werden aangelegd, waar en hoe diep die precies liggen. De architect moet dan bepalen op welk gedeelte de afvoerbuizen zullen worden aangesloten, naargelang van de voorzieningen in uw huis, de hellingen enz. Er moeten trouwens 2 tot 3 inspectieputten worden geïnstalleerd, plus een scheidingsduiker aan de rand van uw eigendom om hinderlijke geuren vanuit de openbare riolering of de septische put tegen te houden.

Is er geen openbare riolering, dan bent u tegenwoordig verplicht een microzuiveringsstation te installeren, zodat uw afvalwater niet ongezuiverd in de natuur terechtkomt. De kostprijs daarvan bedraagt 2500 tot 3000 euro. De installatie is bedoeld voor de zuivering van al het huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van het regenwater. Na behandeling wordt het water afgevoerd naar een put of een bestaande waterloop, óf over het terrein verspreid via een sproeisysteem (een reeks fijne buisjes die het water geleidelijk over de bodem van de tuin verspreiden) of via een aantal bezinkputten met planten die het water kunnen filteren.

Let op : informeer altijd goed bij uw gemeente, want de voorschriften zijn niet overal in België dezelfde.

De riolering

Na de voorbereidende werken moet het afvoerschema worden opgesteld op basis van de geldende voorschriften in uw gemeente. Vaak zal u worden gevraagd een apart circuit te voorzien voor enerzijds regenwater dat door goten en afvoerpijpen stroomt, en anderzijds het afvalwater (vaat, bad, ...) en het sanitair water (toilet). De buizen die daarvoor worden gebruikt, beantwoorden aan de Belgische Benornorm, die de vereiste diameter en wanddikte bepaalt. Soms moet daar nog een aantal accessoires aan toegevoegd worden, nog steeds naargelang van de gemeentelijke regelgeving : septische put, ontvetter, regenton, ... De afmetingen van de regenton hangen af van het gebruik. Voor een gezin van vier personen bijvoorbeeld vraagt de opvang van regenwater voor het toilet en een externe waterkraan een capaciteit van zowat 5000 liter. Voorzie minimaal het dubbele indien u het regenwater ook wil gebruiken voor de wasmachine en de vaatwas.

Aanvragen

Vanaf dit stadium van de werken is het belangrijk om de kokers te voorzien waarin later de aansluitingen voor water, gas, elektriciteit en telefoon worden gelegd. Daartoe worden met kabeltrekkers geringde kokers in de grond gelegd. Vergeet ook niet om op dat moment al contact op te nemen met de verschillende distributiemaatschappijen om meer te vernemen over hun aansluitingsvoorwaarden.

De stookolieketel

Op dit vlak gelden heel wat voorschriften. Afhankelijk van de inhoud is er verplichte aangifte bij de gemeente nodig, een dubbele wand, waterdichte bekisting ... Informeer dus zeker bij de gemeente en het gewest waar u woont vóór u een ketel installeert. De ketel kan worden ingegraven of in de kelder worden geplaatst. In dat laatste geval is de ketel makkelijker te demonteren wanneer u op een andere brandstof wil overschakelen, al neemt hij natuurlijk wel meer plaats in.

4. De ondergrond van uw woningDe vloerplaat

Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel beschikt het huis over kelders of geventileerde kruipruimtes. In dat geval kan u bovengrondse rioolbuizen onder het huis leggen en ze ook gemakkelijk controleren. Ofwel wordt de vloerplaat op de grond zelf gelegd, op het niveau van het gelijkvloers. Als er kelders zijn en in het geval van een vloerplaat ter hoogte van het gelijkvloers, wordt de vloerplaat gegoten op een genivelleerd en vlak stuk grond. Geventileerde kruipruimtes vereisen geen vloerplaat, eventueel enkel een dun laagje beton, dat voorkomt dat u te smerig wordt wanneer u zich later in de kruipruimtes begeeft. De vloerplaat wordt gelegd op een zandbedding van 5 cm, die het mogelijk maakt het terrein perfect te nivelleren, en een waterdicht membraan in polyethyleen (visqueen). Idealiter wordt de vloerplaat tegelijk met de funderingsplaten in beton gegoten. Op die manier vormen de funderingen een homogeen geheel en kan het huis op een degelijke ondergrond verder gebouwd worden.

De muren die met de aarde in verbinding staan

Als het huis beschikt over kelders of kruipruimten moeten de muren die omgeven zijn door aarde even hoog zijn als het ondergrondse gedeelte van het huis. Die muren kunnen worden opgetrokken uit betonblokken (van 29 tot 39 cm), uit zogenaamde Stepocblokken (holle blokken die fungeren als verloren bekisting en die nadien worden volgestort met beton) of uit een dunne laag beton, die tussen twee bekistingen wordt gegoten. In dit laatste geval kan sneller en met dunnere lagen worden gewerkt, al loopt de kostprijs wel hoger op. Er zijn tegenwoordig ook prefabkelders in beton op de markt. Die kunnen in een paar uur worden geplaatst (www.olivierbf.be). Behalve bij prefabkelders (waarin alles voorzien is) moeten muren die met de aarde in verbinding staan langs de buitenkant behandeld worden om vocht in de kelder te vermijden. Zo wordt er meestal een laag vochtwerend cement aangebracht met daarbovenop twee lagen teer (type Platon), die het water afvoeren naar de draineerbuis onderaan. Is de ondergrond bijzonder vochtig, dan moet eventueel met een waterdichte bekisting worden gewerkt. Let op : u moet erover waken dat de funderingen, de vloerplaat en de ondergrondse muren perfect op elkaar aansluiten en degelijk werden afgedicht, anders krijgt u later misschien vochtproblemen.

Als u de kelder als woonruimte gebruikt, moet u tevens externe isolatie voorzien in bijvoorbeeld cellenglas of polyurethaan.

5. De structuur van het gebouw

Traditioneel bestaat het geraamte van een gebouw uit draagmuren in metselwerk. Toch moet die techniek tegenwoordig geregeld plaats ruimen voor een zogenaamd 'licht' geraamte in bijvoorbeeld hout. We willen benadrukken dat het hier gaat over de draagmuren in de woning en niet over het parement of de buitenbekleding. De gevelbekleding komt verderop aan bod.

Draagmuren

Voor de muren in klassiek metselwerk kan u gebruikmaken van verschillende bouwmaterialen, die elk specifieke kenmerken hebben. Sommige van die materialen worden samengehouden door een laagje mortel, andere worden verlijmd. De lijmtechniek is op het thermische vlak voordeliger, aangezien de voegen, waarlangs heel wat warmte verloren gaat, tot een strikt minimum worden beperkt om de thermische homogeniteit van de muur te verbeteren. Ook de uitvoering is van betere kwaliteit : uniform opgevulde voegen en een noodzakelijke loodrechte basis om de volgende rijen makkelijker te kunnen lijmen. Noteer wel dat verlijmen duurder uitvalt dan de traditionele plaatsing.

In sommige constructies worden niet-dragende wanden opgetrokken uit dezelfde blokken als de dragende muren en dit om ervoor te zorgen dat de verticale wanden allemaal hetzelfde reageren. In andere gevallen zijn de niet-dragende wanden lichter (wanden in gipsplaat, ...). Lees in dat verband ook het artikel omtrent de afwerking in nr. 308 van Ik ga bouwen. Let op : wanneer u in overleg met de architect kiest voor een bepaald type blokken, moet u al rekening houden met de gewenste binnenafwerking van de muren. Sommige blokken kan u zichtbaar laten of gewoon schilderen, andere hebben een laag pleisterwerk nodig. U bent geen voorstander van pleisterwerk ? Vergeet niet dat pleisterkalk kan fungeren als dampscherm. Bij gebrek daaraan zal het water veeleer verdampen in de buitenisolatie, waardoor het risico ontstaat op condensatie op of in die isolatielaag.

Skeletbouw

In tegenstelling tot huizen gebouwd volgens het principe van de draagmuren, zijn er ook de zogenaamde 'skeletwoningen'. In het geval van eengezinswoningen gaat het dan meestal om houtskeletbouw. In ons volgende nummer (Ik ga bouwen, nr. 308 - maart 2008) gaan we dieper in op de verschillende bouwtechnieken met hout : traditionele skeletbouw, palen en draagbalken, verlijmde of vastgespijkerde fineerplaten, massief hout ...

Huizen met een metalen skelet, zoals in de industriebouw gebruikt, bieden qua inrichting een optimale vrijheid : veel vrij dragende gedeelten, veel uitkragingen, beschikbaarheid van uiteenlopende profielen ... Die techniek leent zich uitstekend tot het bouwen in loftstijl of het creëren van een minimalistische, industriële uitstraling. Aangezien metaal echter een uitstekende warmtegeleider is, moet u de uitvoering van de werken tot in de kleinste details analyseren om zelfs minimale thermische bruggen te vermijden. Een ander belangrijk nadeel is dat de prijs van staal in de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen.

Een andere bouwtechniek bestaat in het verwerken van prefabpanelen in beton (wandpanelen uit één stuk) die tegen elkaar worden geplaatst. Die techniek is echter niet zo populair omwille van het gebrek aan flexibiliteit en openheid in de panelen, het feit dat de vertrekken naderhand nog nauwelijks gewijzigd kunnen worden, de moeilijkheden rond het aanpassen van elektriciteit en sanitaire voorzieningen ...

6. Specifieke werken

Zolang er aan uw huis wordt gebouwd, moeten er af en toe specifieke structurele werken worden uitgevoerd om specifieke lasten te kunnen dragen, om in een muur plaats te maken voor een raam, om een grotere overspanning (een leegte tussen twee dragende elementen) te overbruggen ... Zuilen bijvoorbeeld zijn ideaal om een meer open en minder afgesloten ruimte te creëren dan draagmuren. En ze kunnen grotere lasten dragen dankzij het gebruik van liggers en schotbalken. Anderzijds kunnen zuilen ook veel plaats innemen en precies daar terechtkomen waar u de tafel had willen zetten. Of ze kunnen vanuit de sofa uw uitzicht op de open haard belemmeren. Zuilen en draagbalken kunnen bestaan uit prefabbeton, ter plaatse gegoten beton, staal of hout.

Een ander steeds terugkerend structureel element is de latei : een versterkt element dat het mogelijk maakt om in muren plaats te voorzien voor ramen zonder te bezwijken onder de druk van bovenaf. Lateien kunnen gemaakt zijn uit prefab of ter plaatse gegoten beton, staal, terracotta of gewapend cellenbeton. Sommige merken, zoals Wienerberger en Xella, bieden ook prelateien aan die het makelijker maken om lateien te steken boven ramen en deuren. Hun belangrijkste kenmerk is dat ze als prefabelementen werden gemaakt uit hetzelfde materiaal als de blokken en op die manier het uniforme karakter van de draagmuren (zonder thermische bruggen) optimaliseren. Worden de lateien op de werf zelf in beton gegoten, dan moeten de vaklui zorgvuldig te werk gaan om thermische bruggen door een onderbreking in de isolatie te vermijden. Binnenlateien (slaghout) moeten van het parement worden gescheiden om latere problemen te voorkomen (zie profielschema van een gevelmuur).

7. De vloeren

Zodra het metselwerk van de muren de hoogte van de eerste verdieping bereikt, is het tijd voor de vloeren op de hoger gelegen verdieping. Er bestaan heel wat verschillende technieken. Laat de keuze over aan een vakman !

De welfsels

Het gaat om een vrij klassieke techniek die een eenvoudige, snelle en stevige plaatsing van de vloer mogelijk maakt. Uitgeholde en trapeziumvormige prefabelementen in gewapend beton of spanbeton worden tussen de draagmuren geplaatst en daarop wordt daarna een dekvloer (of " tafel ") als gewapende druklaag gegoten om de welfsels te verstevigen en ervoor te zorgen dat ze de latere belasting samen aankunnen. Welfsels van 16 cm dik en een druklaag van 4 cm laten meestal toe een overspanning van maximaal 5 tot 6 meter te overbruggen. Wordt de afstand groter, dan moet u de dikte opdrijven. In dat geval maakt u beter gebruik van voorgespannen welfsels. U kan ook overwegen of het mogelijk is andere structuren voor het leggen van vloeren te gebruiken. Welfsels zijn meestal 30, 60 of 120 cm breed en hebben een ruwe of gladde onderkant. Wil u later stukadoren, dan kiest u beter voor een ruw oppervlak waarop het stucwerk makkelijker hecht. Een glad oppervlak is dan weer esthetischer : u kan het zichtbaar laten of moeiteloos schilderen. Laat u de welfsels zichtbaar, dan moeten ze worden opgevoegd (opvullen van de lengtevoegen).

We wijzen nog even op het bestaan van welfsels in cellenbeton, met een interessant isolerend vermogen : de celstructuur bevat luchtbelletjes die de overdracht van warmte of koude afremmen. Bovendien zijn ze niet te zwaar, waardoor ze sneller geplaatst kunnen worden. Is de rest van het huis ook uit cellenbetonblokken opgetrokken, dan krijgt het geheel een heel homogeen karakter.

Vloerbalken en gewelfstenen

Dit systeem omvat omgekeerde, T-vormige steunbalken in spanbeton (vloerbalken), een tussenliggende bekisting met naast elkaar geplaatste elementjes (gewelfstenen) en een gegoten dekvloer met druklaag op de vloerbalken en gewelfstenen, zodat de belasting gelijkmatig wordt verdeeld. Het voordeel van deze techniek, die iets duurder is dan de welfseltechniek : snel en makkelijk te plaatsen, zonder enorme hefvoertuigen, aangezien de elementen minder log en minder zwaar zijn dan welfsels. Met deze techniek kan meestal een overspanning van 4 tot 5 meter overbrugd worden. Ideaal dus voor renovaties of voor werven die moeilijk toegankelijk zijn voor grote machines.

Er bestaan verschillende types vloerbalken en gewelfstenen : in beton (de goedkoopste oplossing), in terracotta (een combinatie van steunbalken in beton die onderaan eveneens uit terracotta bestaan, en holle gewelfstenen, eveneens uit terracotta) óf in polystyreen (meest isolerend, aangezien de vloer bestaat uit gewelfstenen in geëxpandeerd polystyreen en vloerbalken uit beton). Rector, bekend om zijn systeemvloeren van balken en gewelfstenen, pakt eveneens uit met het 'Klith'-systeem met gewelfstenen in houtvezels vermengd met cement - wat zorgt voor een heel ander uitzicht - en een 'Rectolight'systeem, waarbij de balken bestaan uit geperste houtvezels met dwarse versterkingsribben. Het resultaat is een heel lichte vloer die toch sterk is.

Vloerplaaten en breedplaten

Voor de realisatie van een vloer kan ook worden gewerkt met breedplaten of vloerplaten in beton dat ter plaatse wordt gegoten. Het gaat dan niet om aaneensluitende aparte elementen, maar om een monolitisch geheel. Een klassieke betonnen vloerplaat wordt op de werf gegoten en gewapend, aan de hand van de plannen van de ingenieur. Breedplaten daarentegen, worden gevormd door prefabvloerelementen die bestaan uit een dun laagje beton (5 tot 7 cm) met wapening, noodzakelijk voor de stabiliteit van de vloer. Een breedplaat wordt op de werf volgestort met beton, wat een homogene, monolithische en massieve vloer oplevert. Dit systeem maakt de zware bekistingswerken, die op de werf nodig zijn voor een klassieke vloerplaat, overbodig. Bovendien vereist een breedplaat geen verdere afwerkingslagen.

Een variant op breedplaten is de 'Lewis'vloer, bestaande uit lichte profielen in warmgewalste staalplaten. Die elementen grijpen in de lengte en in de breedte in elkaar en vormen zo een stevige, geluiddichte en vuurbestendige vloer. Ze worden gebruikt als verloren bekisting en wapening voor betonnen vloerplaten die rusten op houten of stalen balken.

Bintlaag in hout

In tegenstelling tot alle vloeren in harde materialen bestaat er ook een lichtere techniek waarbij een volledig houten vloer wordt gelegd. Het gaat meestal om een bintlaag in hout met balken (binten) die op regelmatige afstanden van elkaar worden geplaatst en worden afgewerkt met panelen of platen in massief hout. Om te vermijden dat de binten gaan overhellen, worden op geregelde afstanden schoorplanken tussen de balken gelegd om de binten onderling te verankeren en zo de stabiliteit van het geheel te verhogen (tegengaan van het 'veer'effect). Voordelen zijn : redelijk gewicht, waardoor fijnere dragende elementen kunnen worden aangemaakt en de mogelijkheid om de woning naderhand zonder moeilijkheden anders in te delen : zagen volstaat. Dergelijke vloeren overbruggen een spanwijdte van 4,5 tot 5 m. Ze hebben wel één groot nadeel : ze zijn minder geluiddempend dat betonnen vloeren.

8. De isolatie

Na de montage van de structuur, is het tijd om na te denken over de isolatie. De dikte van de isolatielaag wordt bepaald door de architect op basis van de gewenste energieprestaties en de beschikbare materialen (woning conform de EPB-norm, lage energiewoning, passieve woning ...; lees ook op blz. 20 het artikel 'Duurzaam bouwen' en op blz. 54 het artikel 'EPB'). In het klassieke geval van een dragende structuur met blokken wordt de isolatie langs de buitenkant van de wanden aangebracht. Breng de isolatielaag bij voorkeur in één keer aan. Die techniek mag dan al iets duurder zijn, het is de enige die een aaneensluitende isolatielaag garandeert. Tussen de muur en de isolatie, noch tussen de isolerende panelen onderling mogen spleten optreden, anders ontstaan er thermische bruggen. Later wordt de isolatie afgedekt met het parement (zie verderop), weliswaar met een spouw tussen beide om verluchting mogelijk te maken (zie profielschema van een gevelmuur).

Bij houtskeletbouw wordt de thermische isolatie (samen met de installaties voor verwarming, elektriciteit, domotica ...) ingewerkt in de vakken die door het geraamte en de panelen worden gevormd.

Met het oog op een perfecte thermische isolatie zijn volgende aspecten cruciaal : de aansluiting van de isolatie in de buitenmuren op de isolatie van de vloerplaat op het gelijkvloers en op de dakisolatie en de isolatie in ramen en deuren. Het zijn namelijk steeds die aansluitingen die het minst zorgvuldig worden uitgevoerd en die een groot deel van de investeringen in degelijk isolatiemateriaal verloren doen gaan (zie schema). Het door de architect op grote schaal uittekenen van deze uitvoeringsdetails en een strikt toezicht op de werken bieden de beste garantie op het vermijden van vervelende thermische bruggen.

De materialen

Er zijn verschillende mogelijkheden op het vlak van traditionele isolatie. Hou bij de keuze van de isolatie rekening met : de isolatiewaarde l (lambda), het soort toepassing en de intrinsieke kenmerken van het product. De l-waarde wordt uitgedrukt in W/mK en bepaalt de mate waarin een materiaal warmte geleidt.

Klassiek isolatiemateriaal

Het best gekende isolatiemateriaal is mineraalwol, waaronder : glaswol en rotswol. Die minerale vezels, die in rollen en bundels worden verkocht, worden in spleten aangebracht en helpen om onregelmatigheden weg te werken.

Naast die wolsoorten zijn er de synthetische panelen. Die zijn minder soepel dan minerale wol en dus minder aangewezen bij onregelmatige oppervlakken. Ze bieden meestal de beste isolatieprestaties en kunnen dan ook in een dunnere laag worden aangebracht. De panelen laten geen water door en zijn ook drukbestendiger dan minerale wol.

Een derde mogelijkheid is cellenglas : een extreem hard materiaal op basis van glas, waarvan de thermische prestaties het midden houden tussen die van minerale wol en die van synthetische panelen.

Naast die drie klassieke types van isolatiemateriaal zijn er al enkele jaren dunne weerkaatsende producten (DWP) op de markt, vervaardigd uit polypropyleen, polyester of ander materiaal, en bekleed met een vel aluminium. Volgens de fabrikanten leveren die producten met een dunnere laag hetzelfde isolatieniveau als traditioneel isolatiemateriaal. Maar de meningen zijn verdeeld en het Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf (WTCB) is van oordeel dat dit materiaal alleen niet kan voldoen aan de reglementaire isolatienormen. Besluit : momenteel geeft geen van de drie gewesten in ons land een isolatiepremie wanneer u dun isolatiemateriaal gebruikt ... Goed om weten !

Naast die vier categorieën bestaan er ten slotte natuurlijke isolatiematerialen, die tegenwoordig steeds populairder worden. Het gaat om drie soorten producten : korrel- en vlokkenmateriaal (cellulose, vermiculiet, kurkkorrels, ...), halfstar isolatiemateriaal (soepele houtvezels, cellulose, vlas, schapenwol, ...) en star isolatiemateriaal (compacte houtvezels, kurk, ...). De beste prijs-kwaliteitverhouding wordt gegarandeerd door papiercellulose in geblazen vlokken, waarvan de prijzen ongeveer gelijk liggen met die van rotswol en die ook vergelijkbare energieprestaties leveren. De grootste onbekende blijft op dit moment de levensduur van die producten (de evolutie van het isolerend karakter in de tijd), aangezien niemand er al langdurig ervaring mee heeft. Meer informatie over natuurlijke isolatiematerialen ? Lees ook het artikel over toepassingen met vlas en hennep (blz. 46).

9. De parementen

Na een zorgvuldige visuele controle op de correcte plaatsing van de muurisolatie, is het tijd voor de realisatie van het parement. Ongeacht of de structuur van het huis is uitgevoerd in betonblokken, terracotta, hout of metaal : voor de gevels kan u daarna om het even welk parement aanbrengen. De grootste rem op de creativiteit in dat verband zijn de stedenbouwkundige voorschriften en de verkavelingsverordeningen, die omwille van de eenvormigheid een bepaald materiaaltype (meestal baksteen) en zelfs een bepaalde kleur (soms zal baksteen in een of andere kleur worden geweigerd) opleggen. Waar u ook bouwt, u zal om het even welk onzichtbaar binnengeraamte mogen gebruiken, maar daarna wordt u wellicht verplicht tot het optrekken van een gevel in baksteen (en niet in hout). Voor sommige bouwheren uiteraard een hele ontgoocheling. Er bestaan echter wel afwijkings-, onderhandelings- en beroepsprocedures. Maar wanneer u echt een niet-toegestaan parement wil aanbrengen, zal u veel geduld en moed nodig hebben, en de vastberaden steun van uw architect, om bij de bevoegde instanties de nodige stappen te zetten.

Baksteen

Baksteen is ongetwijfeld het meest klassieke parement. Toch bieden firma's op dit vlak nu veel meer modellen en nieuwigheden aan dan in het verleden. Volgens de Belgische Baksteenfederatie zouden er in België momenteel meer dan 3500 soorten baksteen bestaan ! Om maar te zeggen dat de keuze er niet gemakkelijker op wordt. Temeer daar er naast die verscheidenheid nog een andere factor speelt : nieuwe mortel-soorten, waaronder lijmmortels en mortels met dunne voegen, die de dikte van de voegen tot een minimum herleiden. Of wat dacht u van gekleurde mortels, waarmee u een muur kan opvoegen in dezelfde kleur als de baksteen of, integendeel, in een kleur die ermee contrasteert. In het geval van een voeg in dezelfde kleur of een gelijmde baksteen zal de muur er massiever uitzien en de gevel een uitgesproken designkarakter verlenen. Gebruikt u een mortel die tegen de baksteen afsteekt, dan zal de muur een duidelijker textuur hebben. In dat geval zal, bijvoorbeeld, een meer horizontale baksteen de langwerpige vorm van een volume benadrukken en, omgekeerd, zal een hogere baksteen de verticale vorm van de gevel benadrukken.

De kleur van baksteen wordt bepaald door de gebruikte klei, maar ook door het bakken en het bezanden van het materiaal. Nadat de baksteen werd gemaakt, is de kleur van de in de massa gekleurde steen onvergankelijk, aangezien ze het resultaat is van minerale pigmenten (metaaloxiden) die in de loop van de tijd geen enkele chemische verandering ondergaan. De textuur van baksteen wordt dan weer bepaald door de vorm (handgevormde steen, strengperssteen ...), de korrelgrootte van de klei, het eventueel bezanden en de afwerking. Handgevormde baksteen heeft een typisch ribbelig oppervlak. Geperste baksteen is regelmatiger en niet geribbeld. Strengperssteen ten slotte heeft een zeer recht oppervlak, maar kan worden behandeld om er bijvoorbeeld ruwer uit te zien. Er kunnen ook bijkomende behandelingen worden uitgevoerd om de steen een rustiek, geëmailleerd, rotsachtig ... uitzicht te geven.

De uitstraling van het parement hangt tot slot ook af van het type metselverband : de manier waarop de bakstenen tegenover elkaar worden geplaatst (zie schema's). Met het oog op een snelle uitvoering bestaan er tegenwoordig trouwens 'alles-in-een'-panelen (Gebriktype) : een assemblage van natuurlijke baksteen met een isolatiepaneel van polyurethaan.

Hout

Houten gevels zijn erg in de mode, maar worden door Stedenbouw nog niet overal aanvaard. Dit materiaal biedt nochtans veel architecturale mogelijkheden. De gevelbekleding (evenwijdige planken) kan horizontaal of verticaal worden aangebracht. Met verschillende houtsoorten kunnen zeer uiteenlopende effecten worden gecreëerd op het vlak van kleur, eenvormigheid en textuur. Ook de manier waarop de planken worden geplaatst - met holle voegen, overlappend en zo meer - kan originele effecten opleveren. Toch denkt u best even na vóór u dit soort bekleding kiest. Hout is een levend materiaal. Wanneer het niet wordt behandeld, kan het in de loop der jaren grijs worden en barsten. Dit kan het geheel een zekere charme geven, andere bouwheren zal het niet kunnen bekoren. Indien u wenst dat uw parement een mooi uitzicht behoudt zonder dat u het hoeft te behandelen, gebruikt u best hout van hardheidsklasse 1 of 2. Dat is duurder in aankoop, maar dat geld wint u terug, aangezien u het niet hoeft te onderhouden.

Over het algemeen kan u alle houtsoorten gebruiken die geschikt zijn voor buitenschrijnwerk. De (omwille van de kostprijs) meest gebruikte soorten zijn : ceder, den, spar, lariks ... Gebruik geen te brede planken, zo voorkomt u al te grote krimp en uitzetting. Anderzijds moeten de planken elkaar voldoende overlappen om een afdichting te vormen tegen het water dat op de bekleding terechtkomt, óf bekleed zijn met een ademend waterdicht membraan. Qua constructie moet de bekleding - onzichtbaar of met spijkers van roestvrij staal - worden bevestigd op verticale of horizontale sparren, die aan de draagstructuur zijn bevestigd. Die ribben of bevestigingslatten bestaan bij voorkeur uit behandeld harshoudend hout. Het isolatiemateriaal kan tussen de structuurdelen worden geplaatst. Voor een optimale isolatie gebruikt u bij voorkeur een belatting en een gekruiste tegenbelatting met een isolatielaag in elke lattenlaag, om de voegen tussen het isolatiemateriaal en de structuur te kruisen.

Varianten

Naast hout en baksteen zijn er nog veel andere materialen die de gevel geheel of gedeeltelijk een origineel karakter kunnen geven.

Bepleisteren en berapen bijvoorbeeld verlenen een gevel een zeer modern ogende eenheid in heel gevarieerde kleuren én beschermen hem tegen de weersomstandigheden. Een- of meerlagige afwerkingsbepleisteringen of -berapingen worden mestal gemaakt op basis van cement, kalk en een aantal additieven. Ze kunnen glad zijn, gestructureerd, gekrabd ... Let op : er is een verschil tussen een bepleistering en een cementlaag. De eerste is goedkoper en geeft een ruwe afwerking waarop zich makkelijker stof en vuil vastzetten, waardoor de glans in de loop der jaren verdwijnt. U kan de bepleistering of cementlaag ook onmiddellijk op het isolatiemateriaal laten aanbrengen als dat daarvoor geschikt blijkt (sterk materiaal, aangepaste bevestiging, bekleding met een raster van kunststof ...).

Een andere, bijzondere minerale bekleding is ontkistingsbeton, dat een gevel een heel interessant uitzicht kan verlenen. Ontkistingsbeton wordt ter plaatse gestort of geprefabriceerd en kan er glad tot zeer ruw uitzien, naargelang van de gebruikte bekisting (gladde panelen met nadrukkelijke voegen, ongeschaafde planken ...).

Verder zijn er nog pannen en leien (die niet enkel voor daken dienen, maar ook tegen gevels worden geplaatst), bekledingen in terracotta die een grafisch alternatief vormen voor baksteen, gekalibreerde elementen van steen (in volle gevel, in de vorm van kaders of meestal als muurvoeten ...) én metalen bekledingen die veeleer worden gebruikt voor industriële of minimalistische gevels.

Gevelaccessoires zijn er betrekkelijk weinig. De voornaamste is zeker de deur- of vensterdrempel, hoofdzakelijk bedoeld om het van het raam afvloeiende water van het parement weg te houden. In tegenstelling tot de ramen hebben de meeste parementen immers een min of meer groot absorptievermogen. Al het regenwater dat met het raam in aanraking komt, vloeit er dus af. Wanneer dat niet van het parement wordt weggehouden, dringt het erin door ter hoogte van de borstwering (het deel van de muur onder het raam). Dit veroorzaakt enerzijds lelijke vochtvlekken in het parement en anderzijds echte beschadigingen zoals een aantasting van de voegen en infiltratie langs de binnenkant van de muur. Of de drempels nu op de traditionele manier uit natuursteen worden vervaardigd, dan wel uit andere materialen (aluminium- of zinkslabben, geverniste pannen of op hun smalle kant geplaatst bakstenen), ze moeten 'waterdicht' zijn, een lichte helling naar buiten toe vertonen én voorzien zijn van een waterlijst met een diepte van minimaal 3 tot 5 cm. Bij het ontwerpen en plaatsen ervan moet u ook rekening houden met volgende aspecten : vermijd thermische bruggen (vooral met lijstwerk in aluminium), bepaal nauwkeurig de hoogte ten aanzien van de binnenhoogte (voor een schuifdeur met geïntegreerd onderprofiel bijvoorbeeld) en kies sterk materiaal, zeker als u erop wil kunnen lopen.

Fanny Bouvry

Lees meer over:

Postcode

Onze partners