Inbraakwering en inbraakvertraging

16/01/08 om 14:48 - Bijgewerkt om 14:48

Bron: Ik Ga Bouwen

Volgens de statistieken van de Federale Politie zijn er in België jaarlijks ongeveer 80 000 inbraken en pogingen tot inbraak: dit is één inbraak(poging) om de 6,5 minuten.

Tijdstip van inbraak: het risico op inbraak is even hoog in de namiddag als in het tweede deel van de nacht. Veel mensen zijn immers 's namiddags afwezig (aan het werk, naar de winkel, op bezoek...). De kans dat lichamelijk geweld optreedt bij inbraak is heel klein. Volgens de statistieken gebeurt dit in 1 tot 1,5% van de gevallen.

Inbraakwering <->inbraakvertraging

Wordt een inbreker niet gestoord, kan hij onzichtbaar voor buren en voorbijgangers werken én heeft hij daardoor alle tijd van de wereld, dan zal hij altijd binnen raken. Lukt dit niet binnen een beperkte tijd, dan zal hij het opgeven.

Inbraakwerende maatregelen moeten er dus niet op gericht zijn om inbraak onmogelijk te maken (dan moet je je huis tot een echte kluis ombouwen), wel om de tijd te verlengen die de inbreker nodig heeft om binnen te raken, en dit tegen een aanvaardbare prijs.

Inbrekers in soorten

Inbrekers komen er in soorten: de amateur-inbrekers en de professionele inbrekers. Het verschil tussen de twee? De gereedschappen die ze gebruiken. De amateur-inbreker beperkt zich tot eenvoudige werktuigen (schroevendraaiers, tangen, wiggen... ). Ook blijkt dat de amateur-inbreker na drie tot 5 minuten zijn poging om in te breken opgeeft.

Toch zijn het deze amateur-inbrekers die verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de inbraken in woningen. Professionele inbrekers zullen zich eerder richten tot doelen die in één klap een grote buit opleveren, maar wel meer voorbereiding en professionelere middelen vereisen (winkels, opslagruimten...).

De inbreker kiest zijn doelwit

De kans op inbraak is niet voor elk gebouw gelijk. Allerlei aspecten spelen daarbij een rol:

→ de aard van het gebouw,

→ de omgeving,

→ de kwaliteit van het toegepaste hang- en sluitwerk,

→ de aanwezigheid van andere preventieve voorzieningen.

Het gedrag van de inbrekers en bendes, bij het kiezen van een doelwit, kan verklaard worden aan de hand van de 'trechtertheorie'. Na de keuze van stad of gemeente zoomen ze in op de wijk of dorp, vervolgens de straat, dan het huis, de huisgevel en ten slotte de gevelopening. De inbrekers houden rekening met:

→ de geschatte mogelijke buit,

→ de pakkans door sociale controle,

→ de vluchtwegen,

→ de aanwezige beveiliging.

Vanuit dit standpunt is het logisch dat bepaalde buurten meer risico lopen op inbraak dan andere.

Wat kan je doen?

Om inbraken te vermijden:

→ goede gewoonten aannemen;

→ je woning mechanisch beveiligen met goede deuren, vensters en sloten;

→ een bijkomende elektronische bescherming tegen inbraak voorzien in de vorm van een alarmcentrale.

Om schade te beperken:

→ een goede verzekering afsluiten

→ een inventaris aanleggen door je waardevolle stukken te merken en te catalogiseren.

Ik ga Bouwen & Renoveren 12/2007

Extra

Meest gebruikte inbraakwegen:

Voordeur of -gevel 26,8 %

Zijgevels 2,7 %

Dak 0,3 %

Achterdeur of -gevel 69,4 %

Aan de achtergevel is de dief minder zichtbaar en de achterkant is meestal ook minder beveiligd.

Postcode

Onze partners